Het ministerie van Binnenlandse Zaken in Mexico heeft vandaag een handleiding gepubliceerd met adviezen over hoe het seksistische taalgebruik verminderd kan worden in een land dat bekend staat om het machismo.
De handleiding voor het gebruik van non-seksistische taal is geschreven door een instantie die geweld tegen vrouwen aanpakt (de Nationale Commissie voor het Voorkomen en Uitroeien van Seksueel Geweld tegen Vrouwen, Conavim), en wordt verspreid binnen alle federale overheidskantoren in Mexico. Het doel van de handleiding is het verminderen van commentaar of opmerkingen waarin genderstereotypes versterkt worden. De inleiding beschrijft hoe deze handleiding kan dienen als een instrument om de alle werknemers van de federale overheid vertrouwd te maken met het gebruik van non-seksistische opmerkingen in de Spaanse taal. Het ontmoedigt bijvoorbeeld zinnen als: “Als je wil werken, waarom ben je dan aan kinderen begonnen?” en: “Je bent een stuk mooier als je je mond houdt.” Ook adviseert de handleiding niet naar vrouwen te refereren als bezit, in zinnen als “Pedro’s vrouw”.
Werknemers moeten proberen om het macho-taalgebruik te vermijden in gevallen waar dit ongepast is. “Het is voor ons heel gebruikelijk om de mannelijke vorm te gebruiken zonder dat we weten of we verwijzen naar een man of een vrouw, of – nog verwarrender - door mannelijke professionele titels te gebruiken, zelfs als we wel weten dat we over een vrouw praten”, aldus de handleiding. Op 8 maart, de Internationale Dag van de Vrouw, erkende de Mexicaanse regering dat beledigingen en pesterijen jegens vrouwen nog altijd een probleem zijn. Op diezelfde dag protesteerden vrouwen tegen de toename van het aantal vrouwenmoorden op grond van hun geslacht (ook bekend onder de term femicide).
In de Latijns-Amerikaanse landen wordt al jaren een debat gevoerd over onderwijshervorming "maar kwalitatief gezien is er niets bereikt", zegt Martin Hopenhayn, hoofd van de divisie sociale ontwikkeling van de Economische Commissie voor Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied (ECLAC).
ECLAC presenteerde deze week het Sociaal Panorama van Latijns-Amerika 2010, waarin ook aandacht is voor het onderwijsbeleid in de regio. Regeringen in Latijns-Amerika zijn er niet in geslaagd om de "onderwijskloof" tussen arme en rijke gezinnen, plattelandsbewoners en stedelingen en inheemse en niet-inheemse gezinnen te dichten, zegt Hopenhayn.
Gemiddeld heeft 49 procent van de mannen en 55 procent van de vrouwen tussen 20 en 24 jaar secundair onderwijs afgerond. Op het platteland gaat het om 26 procent van de mannen en 31 procent van de vrouwen, en onder inheemse bewoners om respectievelijk 22 en 20 procent, blijkt uit het rapport.
Ongelijkheid
ECLAC noemt onderwijs "een van de belangrijkste factoren om oorspronkelijke ongelijkheid (op grond van afkomst en regio) op te heffen en gelijke kansen te bieden op welzijn en een productief maatschappelijk leven.
De commissie pleit voor uitbreiding van het onderwijs voor jongere kinderen, langere schooldagen op het primair onderwijs en het introduceren van digitale technologie, zodat kinderen voldoende computervaardig worden.
Het verbeteren van het openbare onderwijs en het dichten van de kwaliteitskloof met het particuliere onderwijs is ook een urgente zaak, zegt de ECLAC.
De commissie pleit voor betere toegang van het hoger onderwijs voor studenten uit gezinnen met een laag inkomen en financiële steun aan gezinnen met kinderen. Die steun zou ervoor moeten zorgen dat de kinderen hun opleiding kunnen afmaken.
Bron: IPSHet ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (PNUD) heeft op 8 september jl., een regionaal rapport over de menselijke ontwikkeling gepresenteerd.
Het rapport laat zien dat Latijns-Amerika en het Caraïbisch Gebied de gebieden zijn met de grootste verschillen tussen arm en rijk ter wereld. In landen met meer inkomsten is de ongelijkheid zo’n 65% hoger. De ongelijkheid is ook 36% hoger dan in Oost-Azië en 18% hoger dan in Afrika, ten zuiden van de Sahara.
De landen waarnaar in het rapport verwezen worden, zijn Nicaragua, Bolivia, Honduras, Colombia, El Salvador en Guatemala. Op de zevende plaats staat Perú, het land met de grootste ongelijkheid voor wat betreft de toegang tot drinkwater. Perú heeft ook een kloof van 55% met betrekking tot de elektriciteitsvoorziening.
Het recht op onderwijs wordt steeds minder voor de inheemse en uit Afrika afkomstige bevolking. De ongelijkheid treft generatie op generatie van dezelfde families. Een voorbeeld is dat als het scholingsniveau van de ouders minder is dan lager onderwijs, dan heeft de volgende generatie slechts 3% kans dat zij universitaire studies behalen.
Het ontwikkelingsprogramma van de VN gelooft dat het mogelijk is om met deze situatie af te rekenen. Daarom vinden zij dat naast maatschappelijke investeringen het ook nodig is dat het ontwikkelingsbeleid van de armoede expliciet deel moet uitmaken van het algemeen beleid.
Bron: www.Mercopress.com





