Gebruikerslogin

Sociale uitsluiting en de millenniumdoelen in Latijns- Amerika en het Caribisch gebied

Ineke Kraus

Bron: MDG rapport: Can the MDGs provide a pathway to social justice? The challenge of intersecting inequalities. Naila Kabeer, Insititute of Development Studies, 2010

Vlak voor de millenniumtop van september 2010 publiceerde het ‘Institute of Development Studies’ een rapport met de titel “Can the MDGs provide a pathway to social justice? The challenge of intersecting inequalities”. Het rapport stelt dat het gebruik van landelijke gemiddelden om de vooruitgang op de millenniumdoelen weer te geven een vertekend beeld oplevert. Gemiddelden verhullen de grote verschillen in de mate waarin verschillende groepen in een land kunnen profiteren van vooruitgang en verbeteringen. 

In ieder land en iedere regio worden groepen op basis van hun ras, etniciteit, religie, sekse en vaak de plek waar ze wonen, uitgesloten van de mogelijkheid een actieve rol te spelen in de sociale en economische vooruitgang. Deze uitsluiting van sociale en economische rechten gaat ook vaak samen met de uitsluiting van burgerlijke en politieke rechten. Om dit te veranderen moet het aanpakken van sociale uitsluiting, en daarmee het bereiken van sociale gerechtigheid, een integraal onderdeel worden van de strijd tegen de armoede.
 
Een van de hoofdstukken in dit rapport is gewijd aan Latijns Amerika en het Caribisch gebied. In dit artikel worden de voornaamste bevindingen en conclusies uit dit hoofdstuk weergegeven.
 
Sociale uitsluiting in Latijns Amerika en het Caribisch gebied
Het uitsluiten van groepen op basis van een sociaal geconstrueerde identiteit heeft over het algemeen diepe wortels in de geschiedenis van een land. In een aantal landen is het het gevolg van kolonisatie – die vaak gepaard ging met genocide van oorspronkelijke bewoners – en met slavernij, oorlogen en conflicten, en altijd aanwezige discriminatie.
In Latijns Amerika en het Caribisch gebied (LAC) zijn vooral ras en etniciteit de belangrijkste determinanten van sociale uitsluiting.
 
LAC heeft een inheemse bevolking van 50 miljoen en meer dan 120 miljoen afstammelingen van Afrikaanse volken, die met elkaar ongeveer 33 procent van de bevolking uitmaken. Deze groepen zijn niet gelijkelijk verdeeld over het gebied. Zo is bijvoorbeeld meer dan 25 procent van de bevolking van Bolivia, Guatemala, Peru and Ecuador inheems. In Panama, Brazilië,Nicaragua en bijna alle Caribische landen heeft meer dan 25 procent van de bevolking Afrikaanse wortels, terwijl dit in Uruguay maar 6 procent is en hun aantal in Argentinië verwaarloosbaar is.
 
Sociale uitsluiting en armoede
Sociale uitsluiting kan zich op verschillende manieren manifesteren. In LAC wordt de sociale uitsluiting het meest zichtbaar in de ongelijke verdeling van inkomens. Hierdoor leven sommige groepen in grotere armoede dan wat te verwachten zou zijn op grond van het ontwikkelingsniveau van de regio.
 
In zijn geheel vallen de landen in Latijns Amerika in de gemiddelde inkomenscategorie, maar LAC is altijd een gebied geweest met de grootste ongelijkheid in inkomens: de armste 20 procent verdient slechts 3 procent van het totale inkomen van de regio.
 
Maar, er is vooruitgang zichtbaar. De armoede nam af van ongeveer 44 procent in 2002 naar 33 procent in 2008, terwijl de extreme armoede afname van 19 naar 13 procent.
Op enkele van de minst ontwikkelde landen (Bolivia, Haïti, Guatemala, Honduras,
Nicaragua en Paraguay) na, lijken de meeste landen in staat de armoede te halveren vóór 2015 en daarmee het eerste millenniumdoel te halen.
 
Er lijkt reden te zijn voor een voorzichtig optimisme dat ook de armsten van deze vooruitgang profiteren; in 12 van de 17 landen waarvoor gegevens beschikbaar zijn, waaronder een aantal landen met een hoog percentage van sociaal uitgesloten groepen zoals Ecuador, Brazilië, Bolivia en Mexico, is de ongelijkheid in inkomens tussen 2000 en 2007 duidelijk verminderd.
 
Maar, hoewel de matige en extreme armoede is afgenomen, blijft in veel landen het percentage extreme armoede hoger onder inheemse groepen en groepen van Afrikaanse afkomst dan onder de blanke bevolking. Dit wordt in bijzonder zichtbaar in waar mensen wonen. In alle landen behalve in Brazilië woont meer dan 45 procent van de inheemse bevolking en de mensen van Afrikaanse afkomst op het platteland. Vooral de inheemse bevolking woont vaak in afgelegen en moeilijk bereikbare gebieden, als gevolg van verdrijving vanuit vruchtbare gebieden door niet-inheemse groepen. Dit leidt vervolgens ook weer tot minder kansen in de samenleving.
 
Er is dan ook een duidelijke samenhang te zien tussen armoede, regio en etniciteit. Dit is bijvoorbeeld zichtbaar in Mexico met relatief welvarende staten in het midden en noorden en arme staten in het zuiden, waar de percentage van inheemse bevolking groot is. In Brazilië liggen acht van de tien armste staten in het noordoosten waar de meeste mensen van Afrikaanse afkomst zijn. Drie van de vier staten in het zuiden, met over het algemeen niet-inheemse bevolking, horen tot de rijkste vijf van het land.
 
Sociale uitsluiting, onderwijs en gezondheid
De uitbreiding van toegang tot lager onderwijs is een van de belangrijkste oorzaken van de afname in inkomensongelijkheid in de regio. Echter etnische identiteit blijkt nog steeds een bepalende factor voor de ongelijke kansen op alle niveaus van onderwijs. Alleen voor het lager onderwijs neemt die ongelijkheid iets af. In sommige landen, zoals bijvoorbeeld Bolivia, blijven de verschillen in het aantal jaren scholing tussen inheemse en niet inheemse groepen groot. In 2000 gingen niet-inheemse kinderen gemiddeld 9.7 jaar naar school en inheemse kinderen maar 6 jaar. In 2007 was dat respectievelijk 10.5 en 7.2 jaar. In Mexico hebben slechts drie tot zes procent van kinderen in de rijke centrale en noordelijke staten minder dan 4 jaar school gehad, in de arme zuidelijke staten (waar het percentage inheemse bevolking groter is) is dat 16 tot 26 procent.
 
Kindersterfte is in inheemse groepen hoger dan in niet-inheemse groepen. Ook zijn deze kinderen in landen als Bolivia, Ecuador, Guatemala. Brazilië en Peru tussen de 1.6 en 2.5 keer vaker ondervoed. Moedersterfte is in inheemse gemeenschappen, vooral in afgelegen gebieden, soms wel twee of drie keer zo hoog als het landelijke gemiddelde. Zo had Ecuador in 2003 een gemiddelde moedersterfte van 74.3 per 100.000 geboortes, maar dit lag op 250 per 100.000 geboortes in afgelegen inheemse gemeenschappen. In Bolivia, dat een van de hoogste percentages moedersterfte heeft, bevalt in gebieden met een grote inheemse bevolking meer dan de helft van de vrouwen niet in een kliniek. In Mexico is er in het arme zuiden een gemiddelde moedersterfte die vijf keer hoger ligt dan in het relatief welvarende midden en noorden (128.2/100.000 tegenover 26.9/100.000).
 
Aanbevelingen
Volgens het rapport vraagt vermindering van sociale uitsluiting een aantal maatregelen zoals: macro-economische kaders gericht op het bereiken van gemarginaliseerde groepen, een politiek gericht op actieve herverdeling van sociale en economische middelen, het ontwikkelen van achtergebleven gebieden en het verbeteren van de voorzieningen ter plekke. Daarnaast vraagt het wetgeving tegen discriminatie, een actieve sociale protectie van gemarginaliseerde groepen en het vergroten van de tolerantie en solidariteit tussen burgers.
 
Maar, stelt het rapport, het is niet alleen de taak van de betreffende landen. In tegendeel: het vraagt - in het kader van millenniumdoel 8 - een nieuw sociaal contract tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden. Immers op wereldniveau spelen dezelfde mechanismen van gebrek aan solidariteit, gebrek aan partnerschap als gelijken en gebrek aan sociale rechtvaardigheid.
 
 
 
 

Nieuwe reactie inzenden

Door gebruik van dit formulier accepteert u Mollom's privacybeleid.